DE HOGE RIJNLANDSE KAN
Hans van Rossum
Dit artikel is overgenomen uit nr 146, 3e kwartaal 2016 van het Glashistorisch Tijdschrift van de vereniging ‘De Oude Flesch’

In mijn collectie bevindt zich een hoge Rijnlandse kan. Heel bijzonder, want dit typ, zeker indien hij bijna intact is, is vrij zeldzaam. Dat zo’n groot exemplaar de tijd heeft overleefd is op zich al heel bijzonder. Dit type kan (ook wel Conical Jug with Long Neck genoemd) is niet alleen bijzonder vanwege de opvallend grote hoogte maar ook omdat deze al kort na de ontdekking van de metalen blaaspijp geblazen werden, en dan hebben wij het over het derde kwart van de eerste eeuw.
De kenmerken van de Hoge Rijnlandse Kan (Isings type 55b) zijn, naast de forse hoogte, variërend van 25 tot 30 cm., een lange dunne nek met aan de onderzijde een kenmerkende vernauwing en de zeer hoge greep die is uitgevoerd met een centraal aangebrachte en in hoog reliëf uitgevoerde rib. De aanhechting van de greep op de buikwand is naar onderen toe extra verstevigd door het restant van het glas dat er voor werd gebruikt naar beneden toe op de buikwand aan te brengen. Daarbij is ter decoratie deze forse glasdraad op regelmatige afstanden uitgeknepen.
De Hoge Rijnlandse Kan, H = 29,7 cm. D = 14,6 cm. Gewicht = 440 gram. Coll. HvR.



Dat deze schenkkan, met voor die tijd toch wel enorme afmetingen, zo snel nadat de metalen blaaspijp was ontdekt al kon worden geblazen is werkelijk fascinerend. Door de uitvinding van dit nieuwe fenomeen, waarschijnlijk ergens rond het jaar 70, werd het de Romeinse glasblazers mogelijk gemaakt om verder te experimenteren met het glasblazen. Deze schenkkan is een heel duidelijk en vooral vroeg voorbeeld van het grote vakmanschap dat, zo kort na de ontdekking van de metalen blaaspijp, blijkbaar al was veroverd.
Het ontstaan van de blaaspijp
Ik neem u nog even terug in de tijd, naar het moment dat men ‘lucht’ had gekregen van de mogelijkheid om glas uit te blazen en dat was ongeveer 2500 jaar nadat men voor het eerst geleerd had glas te maken. Bij toeval is ergens in het begin van de eerste eeuw voor Christus ontdekt dat glas ook uitgeblazen kon worden. Al snel ontstonden daarna de eerste eenvoudige blaaspijpjes en dat waren niet meer dan eenvoudige buisjes. In Lyon zijn vele tientallen van deze dunne glasbuisjes gevonden in een kuil bij een glasoven. Waarschijnlijk heeft men, in aanloop naar de ontwikkeling van de eerste echte blaaspijp van aardewerk gevolgd door die van metaal, eerst gewerkt met dunne glazen buisjes die steeds langer werden gemaakt om zo de intense hitte van het vuur beter het hoofd te kunnen bieden. In dat beginstadium bleef de productie dan ook uiteraard beperkt tot kleine min of meer bolvormige flesjes ofwel unguentaria, die fungeerden als parfumflesjes.
Glasbuisjes, gevonden in Lyon. Gedateerd midden 1ste eeuw. Bron: Cat. Musée d’Histoire de Marseille nr. 65.

Aardewerken blaaspijp Ergens tussen de tweede helft van de eerste eeuw voor Christus en de vroeg eerste eeuw na Christus heeft dit uiteindelijk geleid tot het ontstaan van de eerste echte blaaspijp. Deze was nog niet van metaal gemaakt maar van aardewerk. Op de spiegel van een Romeins olielampje dat zich in het archeologisch museum van Split (Kroatië) bevindt is duidelijk te zien hoe een glasblazer voor een glasoventje zit en bezig is een glasobject te blazen met behulp van deze aardewerken pijp. Het gebruik van klei verklaart ook de snelle verspreiding van deze techniek door het Romeinse Rijk heen, immers klei was overal aanwezig en goedkoop, blaaspijpen van dit materiaal waren snel te maken. Het nadeel van aardewerk was ongetwijfeld het gewicht dat parten speelde bij het schuin omhoog houden van deze blaaspijp. Daarnaast was het aardewerk kwetsbaar bij het aftikken van het glasvoorwerp, er brak er nogal eens eentje. Voordeel was wel weer dat, zoals eerder gesteld, snel een nieuwe was gemaakt. De lengte van dit soort blaaspijpen was vermoedelijk ergens tussen de 30-50 cm.
Olielampje met afbeelding van een glasblazer met aardewerken blaaspijp. Gedateerd 1ste eeuw. Gevonden in Asserie, voormalig Joegoslavië. Bron Lazar 2005.
Metalen blaaspijp In de tweede helft van de eerste eeuw na Christus had de glasblazer dan uiteindelijk de beschikking over een metalen blaaspijp en vanaf dat moment kon er ook daadwerkelijk productie worden gedraaid en werd zelfs al gesproken van standaardisering. Vast staat dat de ontwikkeling van de blaaspijp ergens in het Midden-Oosten heeft plaatsgevonden waarbij gedacht moet worden aan het gebied van de toenmalige Syrisch-Palestijnse kust. De vormen werden nu niet alleen talrijker maar het blazen ging ook veel sneller. De glaspost die nu kon worden uitgeblazen werd immers steeds groter en dat resulteerde in geheel nieuwe producten, een ongekende innovatie waarvan 2000 jaar later nauwelijks meer het besef bestaat dat er ooit een periode zonder gebruiksvoorwerpen van glas (ook wel de eerste kunststof genoemd) heeft bestaan.
Productie Hoge Rijnlandse Kan
Deze nieuwe techniek had men blijkbaar ook snel onder de knie want de Hoge Rijnlandse Kan werd voor het eerst kort na de uitvinding van de metalen blaaspijp geproduceerd en waarschijnlijk ook nog voordat het gebruik van een pontil algemeen bekend was. De kan toont namelijk, eigenlijk net als bij de meeste andere glasproducten uit de eerste helft van de eerste eeuw, geen sporen van het gebruik daar van. Dat er geen pontil of resten bij deze vroege producten wordt gevonden kan niet per verklaard worden doordat de resten van de pontil zouden zijn verwijderd en daarna glad geslepen. Bij een moderne glasblazer is het verwijderen van een pontilmerk heel gewoon maar dat was in de oudheid niet vanzelfsprekend en de aanwezigheid van een pontil of het verwijderen van de resten daarvan kan bij de glasproducten uit de eerste eeuw in elk geval niet worden aangetoond. Zolang men nog geen gebruik maakte van dit hulpmiddel moest het geblazen voorwerp op de een of andere manier worden geklampt of anderszins gefixeerd om zo de bovenzijde te kunnen afwerken. De ontdekking van het pontil heeft volgens Stern waarschijnlijk plaatsgevonden in Italië.
Tot zover de aanloop naar de ontwikkeling en het ontstaan van de Hoge Rijnlandse Kan. Er is al gezegd dat deze vrij snel na de ontdekking van de metalen blaaspijp moeten zijn gemaakt ergens in het noordwestelijk deel van het grote Romeinse Rijk. Dat geeft ook aan dat de verspreiding van nieuwe technieken razendsnel ging. Niet duidelijk is of de thans bekende exemplaren het product zijn geweest van een en dezelfde werkplaats. Gezien de variaties die er bestaan met betrekking tot de vorm van het lichaam denk ik dat meerdere werkplaatsen, verspreid over het noordwestelijk deel van het rijk, zich met de productie er van hebben beziggehouden. Zo heeft de kan uit mijn verzameling, die in de jaren 1960 zou zijn ontdekt in de omgeving van Nijmegen, een bijna bolvormig lichaam, maar er zijn er ook met een peervorig lichaam of een naar beneden toe wijd uitlopend (carinated) lichaam. Verder zijn er nog variaties die een decoratie van fijne ribben laten zien. Dit type kan is niet alleen in de omgeving van Nijmegen gevonden, maar eveneens in Esch, Geldermalsen, de omgeving van Keulen en Mainz, tot in Engeland toe. Voor mij geldt absoluut niet dat ‘Het bezit van de zaak het einde is van het vermaak…’’. Dan breekt namelijk vaak de leukste tijd aan, het doen van onderzoek en de jacht naar parallellen.


Bartlow Hills Zo heb ik tijdens mijn zoektocht in het archief van Cambridge University (UK) Volume 25 van het wetenschappelijke tijdschrift Archeologia ontdekt, een uitgave van de Society of Antiquaries of London (opgericht in 1717). Op de pagina’s 1-23 van het januarinummer uit 1832 staat een verslag van John Gage waarin deze beschrijft hoe drie Romeinse burrows (grafheuvels) in Bartlow Hills in de parish of parochie Ashdown (Graafschap Essex) worden geopend. Op 2 januari 1832 is hij daar, in aanwezigheid van mr. Wright, mr. Plowden, mr. Hustler ( de meest respectabele afge-vaardigde van Lord Maynard) alsmede een aantal andere vertegenwoordigers om de meest centraal gelegen grafheuvel, Barrow nr. I, te openen. Werklui vinden daar onder andere de resten van een houten grafkist. Het hout was vergaan maar de nagels voor de verbindingen waren nog volop aanwezig en sommige daarvan hadden volgens Gage een lengte van wel 11,5 cm. Op deze plek werden dan ook grafgiften ontdekt zoals een prachtige kan (Florentine Flask genoemd) die wij nu kennen als een Hoge Rijnlandse Kan, geheel identiek aan mijn exemplaar. Deze kan heeft een hoogte van ‘’ten inches and three quarters high’’ (ca. 27 cm.) en ‘’five inches and a half in diameter’’. (ca. 14 cm.) Er bevinden zich volgens Gage zelfs nog wat versteende resten van de oorspronkelijk vloeistof in de kan. Hij vervolgt met de beschrijving van alle andere vondsten zoals anders gevormde flessen en daarnaast veel schalen, potten en kannen van aardewerk of brons. Kortom een schat aan opgravingen.
Boven: Kan van Bartlow Hills, gevonden in grafheuvel 1, hoogte ca. 27 cm. diameter ca. 14 cm. Bron: John Gage 1832.
Het verslag gaat natuurlijk verder maar voor mij was de gevonden kan van belang. Alles wat opgegraven werd is prachtig getekend want fotograferen was nog niet echt gebruikelijk in die tijd. Uiteraard werd nu mijn nieuwsgierigheid echt gewekt want naar welk museum zouden al die mooie vondsten – met name die kan – zijn gebracht en hoe kom je daar achter? Na wat onderzoek vond ik in Ashdon een plaatselijk museum en omdat Bartlow Hills deel uitmaakt van de parochie Ashdon leek dat een goede start voor het verdere onderzoek. Eerst maar een mailtje gestuurd naar de curator van dit museum met de vraag of men bekend is met deze geschiedenis en zo ja, of men weet waar die grafvondsten naar toe zijn gegaan en of ze te bezichtigen zijn. De volgende dag al mocht ik een enthousiast antwoord ontvangen van Rosemarie Gant, waarnemend curator van het museum, en zij blijkt geheel op de hoogte van deze gebeurtenissen. Zij schrijft dat er inderdaad tussen 1832 en 1840 bij drie grafheuvels opgravingen zijn verricht door John Gage. Het daar gevonden glaswerk en alle andere antiquiteiten zijn toen allemaal overgebracht naar Easton Lodge, een vlakbij gelegen groot landhuis maar ongelukkigerwijs zijn bij een grote brand in 1847 zowel het huis als de gehele inboedel verloren gegaan. Alleen een geëmailleerde Romeinse pot kon gered worden en deze is sindsdien ondergebracht in het Brits Museum te Londen. Dat was een absoluut niet verwacht einde van heel veel waardevolle objecten, inclusief de enige 100 % parallel van de kan uit mijn collectie. Van een soortgelijke kan, maar dan voorzien van verticale ribben is een exemplaar gevonden in Colchester, Essex. Voor het overige zijn er eigenlijk wat betreft Engeland alleen fragmenten bekend, zoals de vondst van geelgroene glasscherven in Alcester, Warwickshire en een fragmentarische kan, gevonden in Huttingdon, Cambridgeshire.

De kan van Esch Maar niet getreurd want het Romeinse Rijk was groter. Ook in Nederland is de Hoge Rijnlandse Kan gevonden. Zo zijn in het prille voorjaar van 1960 twee graven met een rijke inventaris ontdekt in Esch (Noord-Brabant). In graf 5 heeft men, naast tal van andere zaken, een bijna identieke Hoge Rijnlandse Kan gevonden. Geheel intact en ‘glashelder’ opgegraven. Deze kan, met een lichaam dat iets minder bolvormig is dan dat die uit mijn collectie, heeft een hoogte van 29,0 cm. en een diameter van 16,3 cm. (Zie de afbeelding op de vorige pagina). De grafgiften uit Esch zijn ondergebracht in het Noordbrabants Museum.
Kan gevonden in graf IV van een tumulus van Esch (Noord-Brabant). Hoogte 29 cm. diameter 16,3 cm. Bron: V.d. Hurk 1984 p. 79.

De kan van Nijmegen
Een ander prachtig en zeker vergelijkbaar exemplaar maakt deel uit van de collectie van het Museum Valkhof in Nijmegen. Het lichaam van deze kan is minder bolrond maar meer wijd uitlopend (carinated). Hoe de kan daar gekomen is wordt vermeld in het jaarverslag 1955 van het Museum Kam (de voorganger van het Valkhof museum). Het was en is nog steeds gebruikelijk dat elk jaar een verslag wordt opgesteld van het reilen en zeilen van het museum met daarin de vermelding van de nieuwe aanwinsten, zaken die het personeel betreffen, de gehouden tentoonstellingen met de aantallen bezoekers etc. Dat wordt dan naar het desbetreffende ministerie gestuurd om zo verantwoording af te leggen. Het jaarverslag 1955 is geschreven door de toenmalige directeur de heer H.J.H. van Buchem en naast vermeldingen als dat de conciërge een vaste aanstelling heeft gekregen en dat er door particulieren opgegraven spullen in de tuin van het museum waren gedeponeerd maakt hij melding van de aankoop van een fles die uit de buurt van de Broer- en Burchtstraat in Nijmegen afkomstig zou zijn. Het is eveneens een Hoge Rijnlandse Kan met een hoogte van 29,4 cm., een conisch gevormde buik, lange hals en hoekig gebogen oor, onderaan nog versierd met een geribde band. Van Buchem besluit met: ‘Met deze laatste aankoop in de maand mei meenden wij wel de aanwinst van het jaar geboekt te hebben’. Meer voorbeelden van min of meer identiek gevormde kannen van het besproken type zijn mij op dit moment (nog) niet bekend.
De kan van Nijmegen, H 29,4 cm. Foto: Valkhof Museum, Nijmegen.
De kan uit Mainz-Bingen en de kan van het Corning Museum of Glass.


Uit Mainz-Bingen is een variant op dit type Hoge Rijnlandse Kan bekend. Deze is gevonden in Nierstein, crematie graf 5. Dit voorbeeld heeft geen ingedrukte voet of voetring maar vertoont een vlakke basis. Het lichaam loopt wijd uit naar onderen toe en het is gedecoreerd met licht gevormde verticale ribben. Kenmerkende overeenkomsten met de kan uit mijn collectie zijn de lange hals, de eveneens lange greep met een centrale rib in hoog reliëf. De greep is onder een hoek van 90 graden bevestigd tegen het bovenste deel van de hals. Aan de onderzijde is deze verlengd met een deel dat gedecoreerd is door het op regelmatige afstanden uit te knijpen. Een variant op de vorm van Mainz bevindt zich in het Corning Museum of Glass. Deze variant heeft betrekking op de extra aangebrachte holle flens die aan de onderzijde van het lichaam is gevormd. Daarnaast is de decoratie in de vorm van ribben nu diagonaal aangebracht, het gevolg van het ronddraaien van de blaaspijp nadat de vorm uit de mal was gehaald. De kan uit Corning heeft een hoge, ingedrukte voet en dat geldt ook voor het met verticale ribben uitgevoerde exemplaar in het New Yorkse Metropolitan Museum of Art.
Kan crematiegraf Nierstein. H 27 cm. D 14,3 cm. Harter 1999 p. 263.
Kan collectie Corning Museum of Glass (NY). inv. no. 85.1.6. H. 26,1 cm. D 14,8

Kan uit het Metropolitan Museum of Art (New York) H = 29.2 cm. Nr. 81.10.187.
Het bijzondere van al deze voorbeelden is de overeenkomstige hoogtemaat die slechts minimale verschillen kent en dat geldt ook voor de diameter. Als deze producten dus niet afkomstig zouden zijn van een en dezelfde glaswerkplaats en door verschillende glasblazers in het huidige Duitsland, de Lage Landen en Oost Engeland werden gemaakt dan hield men zich blijkbaar aan de gangbare afmetingen voor dit type kan waarbij wel werd afgeweken wat betreft vorm en decoratie.
Resumerend
De vorm en afmetingen pleiten voor een productie in één werkplaats; het toch grote verspreidingsgebied daarentegen doet denken aan verschillende productieplaatsen want dit soort grote en dus kwetsbare kannen vervoeren in een kar zonder schokbrekers of aan boord van kleine bootjes richting bijvoorbeeld Engeland lijkt niet voor de hand liggend gezien de kans op breuk.
