Het Geuzenschaaltje: een glazen album amicorum
Dit artikel is in 1995-06-15 gepubliceerd in het Bulletin van het Rijksmuseum, Amsterdam; Vol. 43, no 2
H.M. Zijlstra-Zweens en P.C. Ritsema van Eck
Het Geuzenschaaltje: een glazen Album Amicorum
De Tachtigjarige Oorlog, de opstand tegen Spanje, is waarschijnlijk de periode uit onze vaderlandse geschiedenis die het meest tot de verbeelding heeft gesproken en, althans tot de Tweede Wereldoorlog, de meeste pennen in beweging heeft gezet. 1 Verwonderlijk is dit niet: de gecompliceerde historische problematiek geeft ruime gelegenheid tot ‘hineininterpretieren’ van eigen religieuze of politieke voorkeuren, en verscheidene acteurs op het strijdtoneel leenden zich goed voor verwerking in een heldenroman.
In het Rijksmuseum bevindt zich een voorwerp dat de herinnering aan enkele van die kleurrijke figuren op een passend-romantische wijze levend houdt: een lage wijncoupe van helder façon de Venise glas, waarin zes mannen die in de eerste fase van de Opstand een belangrijke rol speelden, met een diamant hun namen en motto’s hebben gegrift: Treslong, Bailleul, Renesse, Egmond, Droge en Morgan. 2 Het glas werd vanwege de inscripties reeds in de 16de eeuw als zeer kostbaar beschouwd, dat blijkt uit het foudraal dat uit dezelfde tijd stamt. 3 Dergelijke foudralen waren meestal voorbehouden aan glazen met een zilveren of verguld montuur.


Geuzenschaaltje: façon de Venise. helder lichtgrijs getint glas, h 5.2 cm. diam. 16 cm. lnv.nr N.C.372 a
Foudraal: hout, buiten bekleed met donkerbruin leer, binnen met rood laken. lnv.nr. N.C. 372/J.
Het op een glas de namen vastleggen van Trinkgenossen was in de 16de eeuw populair, vooral in het Duitse taalgebied; er zijn uit deze periode verscheidene glazen met geheel of gedeeltelijk autografe inscripties bewaard gebleven. 4 Een drinkglas was toen een voorde hand liggend memento, want het bij bijzondere gelegenheden – het verwelkomen van gasten, het sluiten van een verdrag, het bekrachtigen van een koop of verkoop en dergelijke – gemeenschappelijk uit één glas drinken was een oude Germaanse traditie die hier tot in de 17de eeuw in ere werd gehouden. Bovendien waren diamanten ringen toen voorheren niet ongebruikelijk en ringdiamanten waren gewoonlijk als achthoek geslepen en als puntsteen gezet: het graveren kon dus vrij eenvoudig geschieden, speciale outillage was niet nodig. De data lopen op zulke glazen vaak nogal uiteen, zoals dat bij libri amicorum op papier ook het geval is. Op een glas uit het bezit van de familie Trapp, nu in het Paul Getty Museum, Malibu, zijn de inscripties van 1559 tot 1629 aangebracht; de meeste glazen waren na een jaar of twintig ‘voltekend’.

De inscripties van Treslong en Renesse dateren van 1573. Treslongs zinspreuk (rechts): Emulus Accendit Virtutes – Een ambitieus man stimuleert zijn omgeving tot mannelijke deugden – zou men in verband kunnen brengen met de Opstand.


Ook Renesse’s (links) geresigneerde: Dein viandt nîimer acht te licht/ Dein vrundt teveel/ vertrauivel nicht was wellicht ingegeven door de recente gebeurtenissen.
De datum van Bailleuls inscriptie (rechts) is moeilijk te interpreteren (afb. 5). Het derde cijfer lijkt het meest op een 2, wat het heel onwaarschijnlijke jaartal 1523 zou opleveren. Nu vereist het griffen in glas een zekere handigheid, en corrigeren is niet mogelijk; de overige cijfers van Bailleul zijn ook niet erg duidelijk. Wellicht moet de 2 toch als een minder goed gelukte 7 worden gelezen en graveerde hij het glas in 1573, in hetzelfde jaar als Treslong en Renesse, misschien bij dezelfde gelegenheid.
Egmonds inscriptie (links) is van 1586. Zijn motto: ungne ie serviraeij – Slechts één zal ik dienen – en dat van Bailleul: Sans Aultre – Geen andere – passen in de ridderlijke traditie van de trouw aan de ene aangebedene Vrouwe.


De inscripties (rechts) van Droge en Morgan zijn wat soberder (afb. 7). Droge, die niet uit een riddermatig geslacht stamde en zich niet als de leden van het Verbond van Edelen met de erenaam ghuys (geus) kon tooien, grifte in 1591 sans estre ghys boven zijn naam. De Engelse beroepssoldaat Morgan hanteerde waarschijnlijk liever het zwaard dan de pen en grifte alleen zijn naam in het glas: Morogan.
De onderkant van het foudraal draagt het wapen Chätillon: in keel drie palen van vair, effen gouden schildhoofd; de schildering is helaas zo afgesleten dat ze op een foto nauwelijks overkomt. Het glas heeft dus toebehoord aan Treslong: de riddermatige familie Blois van Treslong gaat terug op Jan van Blois, een bastaardzoon van Jan van Chätillon, graaf van Blois, heer van Treslong, Gouda, Schoonhoven, enz., die in 1381 zonder wettige erfgenaam overleed.’ Gewoonlijk zal Treslong het familiewapen hebben gebruikt in de vorm die Wierix dat op het portret geeft: in zilver twee beurtelings gekanteelde balken van keel en in een vrij kwartier het wapen van Chàtillon, met het helmteken Chàtillon .

Guillaume de Blois de Treslong, heer van den Oudenhoorn, Grijsoort en Petegem (ca. 1 529-1594), in contemporaine geschriften meestal Treslong genoemd naar het oude familiebezit in Henegouwen, is de held van de vermaarde Den Briel-episode: een Geuzenliedje laat hem in 1572 op de bewuste eerste aprildag voor de stadspoort treden met een Trompet al sonder getreur… Hy seyde: doet op de deur: Want alle u vesten en muer Condt ghy voor ons niet houden. 6 En al ging het in werkelijkheid een beetje anders, het idee om, na al de omzwervingen in de Oostfriese en de Engelse kustplaatsjes, in de Zeeuws-Hollandse wateren een thuishaven voor de Geuzenviool te veroveren, is vermoedelijk wel van hem afkomstig; Treslong was geboren in Den Briel, waar zijn vader baljuw was. 7 Treslong verbleef als jonge man enige jaren aan het hof van Maximiliaan van Bourgondië, markgraaf van Veere. Hij ging in het midden van de jaren vijftig in zeedienst, nam deel aan verscheidene zeeslagen en behoorde tol het escorte dat Karel v na diens abdicatie naar Spanje begeleidde. In de jaren zestig voegde hij zich bij de groep edelen die in de winter van 1565-’66 een Verbond sloten om zich tegen de toenemende centralisatie van de regering en de repressie van Lutheranen en Calvinisten te weer te stellen.
Het initiatief voor dit Verbond, het Compromis, dat in de eerste maanden van ’66 door ongeveer vierhonderd edelen uit alle delen van het land werd ondertekend, was uitgegaan van mannen als Jan en Filips van Marnix, Lodewijk van Nassau en Hendrik van Brederode. Dezen liepen dan ook in de eerste gelederen van de lange stoet die namens de Verbondenen op 5 april de landvoogdes, Margaretha van Parma, een smeekschrift aanboden. Dit was de gelegenheid waarbij een van Margaretha ’s raadslieden minachtend van bedelaars, gueux, sprak, waaraan de opstandige beweging haar geuzennaam en het embleem van de bedelnap ontleende. 8 In juli werd door twaalf vertegenwoordigers een tweede smeekschrift aangeboden en in het begin van het daaropvolgende jaar een derde, ditmaal door Treslong alleen, aangezien de landvoogdes pertinent weigerde een grote delegatie te ontvangen. 9
Toen het in de maanden daarop duidelijk werd dat van verzachting der plakkaten tegen de Hervorming geen sprake zou zijn, het leger der Verbondenen door de regerings-troepen was verslagen en Alva op komst was om hier met harde hand orde op zaken te stellen, begon de grote uittocht. Treslong, Renesse, Egmond en Bailleul waren onder de vele duizenden die uitweken. Anderen trachtten onder te duiken, niet altijd met succes, want het verklikkerwezen tierde welig. Jan Blois van Treslong, Willems oudere broer, viel door verraad in handen van de Bloedraad en werd in 1568 geëxecuteerd in de golf van terechtstellingen waarvan de graven van Egmont en Hoorne de bekendste slachtoffers zijn geworden.
Treslong was naar Embden gegaan, waar tegen het einde van de jaren twintig de Hervorming was ingevoerd en waar sindsdien zoveel vluchtelingen uit de Nederlanden hun toevlucht hadden gezocht dat de stadsmuur werd uitgelegd en het stedelijk areaal bijna verdubbelde. 10 Hij vocht onder Lodewijk van Nassau succesvol bij Heiligerlee, liep een paar weken later in de jammerlijke slachting bij Jemmingen zware verwondingen op en kwam, daarvan genezen, in dienst bij Graaf Edzard van Oost-Friesland. De Opstand bleef hem echter ter harte gaan en in 1571 rustte hij in commissie van de Prins twee schepen uit om zich bij de Watergeuzen te voegen. De Oostfriese graven hadden aanvankelijk een welwillende neutraliteitspolitiek betracht en uitvoer van victualiën en oorlogsmateriaal toegestaan. Maar na Jemmingen, met de Spaanse soldaten aan de grenzen, kon men geen open conflict met Spanje riskeren; het uitrusten van oorlogsschepen was te provocerend en Treslong werd in hechtenis genomen. Na een paar weken wist hij op borgtocht vrij te komen en vertrok, na enige tijd vergeefs gewacht te hebben op een regulier proces, heimelijk met zijn schip uit Embden. 11
Treslong sloot zich nu aan bij de Geuzenvloot die in de Friese wateren de kaapvaart beoefende. Zijn deskundigheid werd op prijs gesteld, hij had al snel het bevel over zeven schepen. Het lijkt een vreemde professie voor een edelman, maar de kaapvaart, met als doel den Hertoge van Alva ende alle zijnen adherenten te beschadigen aen lyff ende goet, was geen oneerbare activiteit. Het represaillerecht werd algemeen erkend; een kaperbrief, uitgereikt door de prins van Oranje, verschilde weinig van een aanstelling ten oorlog. De opbrengst van de buit werd verdeeld: 20% kwam ten goede aan de oorlogskas van de Prins, van de rest ging meestal de helft naar de kapitein, die het schip moest onderhouden en bevoorraden, de andere helft naar de bemanning. Ook voor buit behaald bij landgangen werd een dergelijke verdeelsleutel gehanteerd. 12
Er was vaak wel een aanzienlijke discrepantie tussen de commissie in de kaperbrief en de praktijk. Het afdragen van de gelden voor de oorlogskas liet nogal eens te wensen over en de grens tussen kaapvaart en zeeroverij – het nemen van schepen en goederen van onderdanen van bevriende of neutrale mogendheden – was voor veel van deze vrijbuiters heel vaag. Ook de wreedheden van beruchte bevelhebbers als Lumey en Sonoy deden de reputatie van de Opstand geen goed. Dat de Watergeuzen niet overal welkom waren en moeilijk een thuishaven konden krijgen, werd zeker niet alleen veroorzaakt door de angst voor Spaanse strafexpedities. 13
De winter van ’71-’72 was streng. In februari zat een deel van de Eemsvloot een paar weken vast in het ijs bij Wieringen. De Spaanse bevelhebber Bossu stuurde vanuit Enkhuizen vier vendels op de geuzen af, maar ze wisten die met het scheepsgeschut lang genoeg op een afstand te houden om een vaargeul te kunnen kappen en triomfantelijk weg te zeilen. Treslong voegde zich nu bij de hoofdmacht van de Watergeuzen die onder Lumey vanuit Engelse havens had geopereerd, maar nu op zoek was naar een nieuwe basis, aangezien Elizabeth op herhaald aandringen van Philips 11 de schepen der opstandelingen de toegang had ontzegd. De geuzen hielden aanvankelijk op Texel aan, maar verlegden de koers toen de wind naar het noordwesten draaide.
Treslong was een jaar baljuw van Den Briel, diende toen verscheidene jaren als admiraal, nu eens op de vloot van Holland, dan op die van Zeeland, en wist als gouverneur van Oostende het wegens achterstallige betaling muitende scheepsvolk weer in het gareel te krijgen. In 1585 werd hij belast met de leiding van de vloot die het belegerde Antwerpen te hulp moest komen, maar kreeg bij de organisatie moeilijkheden met andere leden van de admiraliteit. Bij de onduidelijke gezagsverhoudingen in de jaren kort na de moord op Willem van Oranje escaleerden meningsverschillen gauw tot conflicten. Treslong werd beschuldigd van corruptie en insubordinatie en in hechtenis genomen. Verwanten en vrienden probeerden op alle mogelijke manieren – van bemiddeling tot omkoping van de cipier – hem te hulp te komen. Tenslotte verzocht Leicester, overtuigd van zijn goede trouw, aan Maurits om Treslong in vrijheid te stellen en een onderzoek te gelasten en nam hem mee naar Engeland, waar koningin Elizabeth toezegde te willen bemiddelen, opdat hem in een eerlijk proces recht zou worden gedaan. Na een lang en ingewikkeld proces verklaarde het Hof van Holland hem in 1591 suyver ende innocent van alle dat hem te laste wert gheleyt. Er werden allerlei pleisters op de wond geplakt: Oostende verzocht hem weder te mogen hebben tot haren Gouverneur, hij kreeg een jaargeld van de Staten, Maurits benoemde hem tot luitenant-houtvester en groot-valkenier van Holland. 16 Dit kon echter de smaad hem aangedaan niet uitwissen: Treslong overleed in 1594 als een teleurgesteld man.

Op I april, ’s middags om een uur of twee, liep de vloot de Rijn-Maasdelta binnen en streek de zeilen voor Den Briel. Op het ‘In naam van Oranje doe open de poort’ werden de Watergeuzen niet meteen als bevrijders binnengehaald, integendeel! De veerman Koppelstok, die juist een vrachtje zou overzetten, kreeg opdracht een paar leden van het stadsbestuur te halen – als geloofsbrief kreeg hij Treslongs zegelring mee. De onderhandelingen verliepen niet erg vlot. De magistraat vroeg twee uur bedenktijd, en terwijl op het stadhuis werd gedelibereerd wat het kleinste kwaad zou zijn, paaps of geus, vluchtte de bevolking gepakt en gezakt de stad uit. Toen de avond begon te vallen, verschaften de geuzen zich met geweld toegang, ramden de poorten in en trokken de stad binnen. Treslong en zijn collega De Rijk wisten Lumey er van af te brengen de stad! in brandt te steeken en met dien stank te ruymen. 14 Dat zou de overige Zeeuwse en Hollandse steden erg huiverig hebben gemaakt om de geuzen binnen te laten en de kans op meer goede thuisbases aanzienlijk hebben verkleind. Den Briel bleek inderdaad een sleutele des landts, zoals Treslong aan Lumey had voorgehouden. Bossu’s poging om met tien vendels de stad te heroveren werd met succes afgeslagen en Vlissingen, Veere, Zierikzee en het merendeel der Hollandse steden kozen de zijde der opstandelingen, waarmee de belangrijkste toegangswegen vanuit zee vrij kwamen.
Robert de Belle de Bailleul, heer van Schoonewalle (ca. 1523-?), stamde uit de familie der slotvoogden van Belle in Frans-Vlaanderen. De Bailleuls waren zeer hervormingsgezind, verscheidene familieleden hadden het Compromis getekend. 17 Robert de Belle week in januari 1568 uit, werd die zomer bij verstek veroordeeld, sloot zich aan bij de Watergeuzen en voer aanvankelijk als kapitein bij de Eemsvloot, later bij de vloot die in de Engelse wateren lag. Hij was een zwager van Lumbres, die in 1570 door de Prins werd benoemd tot opperbevelhebber over de gehele vloot, en had tot diens komst tijdelijk het bevel over de Kanaalvloot.18 In januari 1572 zond hij documenten uit een door hem buitgemaakt schip naar de gouverneur van het eiland Wight. Vermoedelijk heeft hij kort daarop met de rest van de vloot de steven oostwaarts gewend.19

Ook Jan van Renesse, heer van Wulven en Wilp (ca. 1537-1584), had het Verbond getekend en was in 1568 veroordeeld verbeurt te hebben lijf en goet. 20 Toen in augustus 1566 de beeldenstorm ook in Utrecht losbarstte, was Wulp, zoals hij in de bronnen meestal genoemd wordt, een van de bemiddelaars die de plunderaars tot enig uitstel trachtten te bewegen met de belofte dat het stadsbestuur de landvoogdes toestemming zou vragen, enkele kerken aan de Hervormden af te staan. Het resultaat van de bemiddelingspogingen was matig: de hervormde prediking werd enige dagen uitgesteld, het plunderen ging onverminderd door. 1n 1574, tijdens het beleg, was Wulp in Leiden. Twee jaar later, na de Pacificatie van Gent, keerde hij terug naar Utrecht, werd weer in het bezit van zijn goederen gesteld en bekleedde tot zijn dood in 1584 nog verschillende ambten. Als afgevaardigde van de ridderschap ondertekende hij in 1579 de Unie van Utrecht.
Jan van Egmond (?-na 1586), een broer van Otto van Egmond van Kenenburg, en daarmee een aangetrouwde oom van Treslong, die gehuwd was met Otto’s dochter Adriana, was ook een der Verbondenen.21 De historieschrijver Van Meteren noemt hem onder de Namen van de Overste der Watergeuzen in 1572 bij Den Briel, naast Joncker Willem de Bloys gheseyd Treslongh en enkele anderen.22 Egmonds signeren van het glas in 1586 lijkt een solidariteitsbetuiging in het jaar dat Treslong uit zijn ambten was ontzet en zijn vrienden en verwanten zich inspanden om rechtsherstel voor hem te verkrijgen.
Marten Droge (?- na 1591) commandeerde een van de schepen die onder Boisot in Mei 1574 de Spaanse vloot op de Schelde bij Lillo overvielen. Hierbij wisten ze een deel van de vloot te vernietigen en verscheidene schepen met ruim honderd stuks geschut te veroveren, waaronder het grote schip met de vice-admiraal Adolf van Haemstede, dat door Droge naar Vlissingen werd gesleept. Een mooie vangst met trefelijken buit van geschut neevens ‘huisraad en zilverwerk des Heeren van Haamstede schrijft P.C. Hooft, die ook wel oog had voor de financiële aspecten van het krijgsbedrijf. 23 Toen Leicester er in 1587 niet in slaagde Sluis te ontzetten, schoof hij alle schuld op de Admiraliteit van Zeeland, in het bijzonder op Droge, die toen equipagemeester was, en liet hem in hechtenis nemen. Zes maanden later, toen Leicester was teruggekeerd naar Engeland, werd Droge, nae examinatie ontschuldigh vertoont, uit hechtenis ontslagen.” Welke functies hij daarna heeft bekleed, is niet bekend.
Kapitein Thomas Morgan (ca. 1540-1595), kwam in 1572 met een vendel van 300 Engelse vrijwilligers de opstandelingen te hulp, in good time: For al his arrival in Flushing was in distresse, schrijft Roger Williams, die deel uitmaakte van het vendel. 24 De bedreiging voor Vlissingen werd afgewend, maar pogingen om Goes voor de Prins te nemen hadden geen succes en Morgan vertrok weer naar Engeland om begin 1573 terug te komen, nu als kolonel met 10 vendels. Hij nam deel aan de krijgshandelingen in dat jaar, onder meer de pogingen Haarlem te ontzetten, waarbij de vijand zijn schip enterde en in brand stak. Morgan wist zich met het merendeel van zijn mannen te redden door in het water te springen en naar land te waden. 25 Aan het eind van het jaar vertrok hij opnieuw naar Engeland.
De krijgsdienst in de Lage Landen tegen de Spaanse troepen, toen ongetwijfeld de beste in Europa, was een goede leerschool. Morgans troepen waren, in Williams woorden, the first troupe Harguebusiers that were of our Nation, and the firsl troupes that taught our Nation to like the Muskel en Morgan werd met een keurtroep van 400 man naar Ierland gezonden. 26 In 1578 kwam hij terug, vocht in Brabant tegen Don Juan, in het Noorden tegen Rennenberg en onderscheidde zich in de strijd om Antwerpen bij de gevechten om de Kouwensteinse dijk, een strijd, levendig herinnerend aan de oude verhalen aangaande Troje, aldus de Leidse historicus Blok, die van deze episode een waar epos maakt.” Na de val van Antwerpen in 1585 werd Morgan gouverneur van Vlissingen van 1588 tot zijn terugkeer naar Engeland in 1593 was hij gouverneur van Bergen op Zoom. Hij overleed in Londen; zijn weduwe, Anna van Merode, hertrouwde na het rouwjaar met Justinus van Nassau, luitenant-admiraal van Zeeland.”
Het huwelijk met Anna van Merode was op een wat ongebruikelijke manier tot stand gekomen. In januari 1585 hadden Morgan en zijn vriend, kapitein Knollys, de twee meisjes Van Merode die op het Kasteel te IJsselmonde woonden, geschaakt, weggevoert naar Bergen op Zoom, daar Sij in Garnisoen lagen. Sy werden met een Oorloghschip vervolght dan niet gecreghen. Het gaf nogal wat beroering: mama deed haar beklag en de vaderlandse adel, die erfdochters niet graag aan buitenlandse avonturiers zag toevallen, eiste strenge straf andere ten exemple. Het bleek echter dat de dames maar al te willig waren geweest. Anna voerde tot haar verdediging aan dat ze de zaak bekokstoofd had om aan een door haar moeder gearrangeerd huwelijk met de vyandt, in de persoon van haar katholieke neef Van Montfoort, te ontkomen. Ende de wijle de saecke nu so verde gekomen was gingen er seer ootmoedighe beleefde Brieven uit naar de Staten Generaal, de Raad van State en de landsadvocaat Johan van Oldebarnevelt, en werd de zaak in der minne geschikt. 27
Tot zover de levensloop van de mannen wier namen in het glas gegrift staan. Men kan zich Treslong voorstellen, gezeten bij het haardvuur in het Huis Swieten bij Leiden, waar hij zijn laatste dagen slijt, het glas gevuld met rode wijn, waartegen de signaturen helder afsteken, ronddraaiend in zijn handen terwijl hij mijmert over zijn wapenbroeders en de dagen van weleer.
Noten
Noten
1 Voor de historiografie zie bijvoorbeeld P.J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandse-he Volk, Leiden 1913′, 11, pp. 655-678; J. Presser, De Tac/11igjarige Oorlog, Amsterdam/Brussel 19634, pp. 1 1-54; G. Parker, Van Beeldenstorm tot Bestand. Haarlem 1978, pp. 265-267. Interessant is ook ‘De Nederlandse Opstand 1555 1 585’ in het themanummer van Spieghel Historiae/ 29 (1994), nr. 11/12, met opgave van de recente literatuur.
2. ‘Tazza op trompetvormige voet van helder, lichtgrijs getint glas, vervaardigd in de Zuidelijke Nederlanden, afm. h. 5,2 cm, diam. 16,6 cm, inv.nr. N.G. 372a. Het glas is in 1956 voor f 2500,- gekocht van Jhr. G.R. Gerlacius van Swinderen, die mededeelde dat zijn grootvader, Jhr. mr. J.H.F.K. van Swinderen het glas met het foudraal uit het familiebezit Bloys van Treslong had gekocht (Jaarverslag 78 ( 1956), p. 29; P.C. Ritsema van Eck, Glass in the Rijksmuseum, 11, 1995, nr. 1 ). Het model van dit glas was benoorden de Alpen niet gebruikelijk. ln Italië werd de wijn wel uit ta:zze gedronken en een 17de-eeuwse inventaris uit Leiden vermeldt 9 wijnglaesen off schaeltgens (Th. Lunsingh Scheurleer, C. Willemijn Fock, A.J. van Dissel, Het Rapenburg 1, p. 1 1 7), maar over het algemeen prefereerde men hier een hogere kelk. Onder Treslongs signatuur, vlak boven de aanzet van de voet, staan wat krasjes en, nauwelijks leesbaar, een datum (afb. 3). De gelegenheids-graveurs hebben waarschijnlijk -zoals iedere amateur dat nu ook doet – op een niet te opvallend plekje even getest, hoe het glas onder de diamant ‘voelde’. Dat kan van glas tot glas verschillen en hangt samen met de samenstelling van het gemeng. De krullen onder de namen van Droge en Morgan lijken te zijn aangebracht als vlakvulling onder deze wat korte inscripties (afb. 7). De letters AE (afb. 3), Hen w.s. M.v. (afb. 4) en A (afb. 6) boven de signaturen van Treslong, Renesse en Egmond blijven raadselachtig.
3. Foudraal, hout, buitenzijde bekleed met donkerbruin leer, binnenzijde met rood laken, nu verschoten en hier en daar versleten. De originele sluiting ontbreekt, het zijden lint is modern. Aan de onderzijde is het wapen Chätillon geschilderd. lnv.nr. N.G. 372b.
4 R. von Strasser und W. Spiegl, Dekorierres Glas, München 1989, p. 9. Over de wijnkoop ter bekrachtiging van een overeenkomst cf. ook Klaus Pechstein, ‘Yon Trinkgeräten und Trink-sitten’, in: Das Schat:zhaus der deutschen Geschichte, Hrsg. Rudolf Pörtner, Düsseldorf/Wien 1982, pp. 385-41 I.
5. Jan van Chàtillon is de centrale figuur in het tweede hoofdstuk van Busken Huet’s Land van Rembrand, dat handelt over de 14de eeuw. Zie voor de genealogie: De Nederlandse Leeuw, 66 ( I 949), kol. I 33 I 34.
6. Geuzenliedekens no. 49.
7. De baljuw van Brielle, tevens opperdijkgraaf van Voorne, was de hoogste functionaris op het eiland. Jasper van Treslong, Willem’s vader, werd in 1541 benoemd en bekleedde het ambt tot zijn dood in 1558. Voor Brielle aan de vooravond van de Opstand zie: W. Troost en J.J. Woltjer, ‘Brielle in hervormingstijd’, in: Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, Utrecht 1969, pp. 307-353.
8. Dat veel edelen zich bij het Compromis aansloten omdat ze inderdaad totaal verarmd, gueux, waren, is onwaarschijnlijk, vergelijk H.A. Enno van Gelder, ‘De Hollandse adel in de tijd van de Opstand’, Tijdschrift voor Geschiedenis, Groningen 1920, pp. 1 1 3-150; H.F.K. van Nierop, Van ridders tot regenten: de Hollandse adel in de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw, Amsterdam 1990. Voor de literatuur over het ‘waarom’ van de Geuzennaam zie: H.F.K. van Nierop, ‘A Beggars’ Banquet: The Compromise of the Nobility and the Polities of Inversion’, European History Quarterly, 21 (1991), pp. 419-443, noot 4.
9 P. Bor, Nederlantsche Oorloghen, Amsterdam/Leiden 1621-1626, 111, fol. 105.
10. A. Pettegree, Embden and the Durch Revolt Oxford 1992, passim.
11. P.C. Hooft, Neederlandsche Hisroorien, Amsterdam 1656, fol. 228 e.v.
12. J.C.A. de Mey, De watergeuzen en de Neder-landen 1568-1572, Amsterdam/Londen 1972.
13. Presser, op.cit. (noot 1), pp. 79-81, 140-142; De Mey, op. cit. (noot 12), passim.
14. Zie noot 9.
15. Een volledig eerherstel, dat wil zeggen, een herbenoeming in zijn oude functie was niet goed mogelijk, aangezien na Treslongs inhechtenisneming in 1585 Justinus van Nassau, een buitenechtelijke zoon van Willem van Oranje, tot luitenant-admiraal van Zeeland was benoemd.
16. Volgens Cornelissen was de oude heer De Belle, die kreupelde en met een stok liep, vooraan gegaan in de stoet edelen, die het smeekschrift aanboden en was die overeenkomst met de kreupele, gebrekkige bedelaars op schilderijen en prenten een van de redenen van het sneerende gueux (J.D.M. Cornelissen, Waarom zij geuzen genoemd werden, Tilburg 1936, p. I 1); cf. ook Van Nierop, op. cirt 1990 (noot 8), p. I 59; H.A. Enno van Gelder, ‘Bailleul, Bronkhorst, Brederode’, in: Van Beeldensrorm 101 Pacificatien, Amsterdam/Brussel 1964, p. 58 e.v.
17. De Mey, op. cir. (noot 12), p. 46. Gislain de Fiennes, heer van Lumbres, had in 1 566 het Compromis getekend. Hij was meer diplomaat dan zeeman en trad na de dood van Lodewijk van Nassau in 1574 op als gevolmachtigde van Willem van Oranje.
“18. Hij wordt verder in de bronnen niet genoemd. Zijn sterfjaar is niet bekend, evenmin als zijn geboortejaar.
19. E. van Meteren, Historie der Nederlandscher ender haerder nabueren oorlogen, Amsterdam 1635, fol. 55.
20. Het geslacht Egmond van Keenenburg was een jongere tak van het grafelijke geslacht Egmond. Treslongs echtgenote was een gewezen conventuale van de abdij te Rijnsburg. Over de verwantschapsbetrekkingen tussen de ondertekenaars van het Compromis cf. Van Nierop, op. cit. 1990 (noot 8), in het bijzonder pp. 163-167.
21.Van Meteren, op. cit. (noot 19), fol. 70.
22. Hooft, op. cir. (noot 1 1 ), fol. 370.
23. Van Meteren, op. cit. (noot 19), fol. 271.
24 The Works of Sir Roger Williams, ed. by John
25. Evans, Oxford 1978, p. 101. ” Ibid.. p. I 24.
26. ibid., p. 148.
27. Blok, op. cil. (noot 1 ), p. 230.
28. Cf. noot 15. ” Bor, op. cit (noot 9), xxv, fol. 51
