Kaarsen gemaakt met glazen buizen
tekst Harald Seyfarth, vertaling Willem van Traa

Het scheppingsverhaal begint met licht. Prometheus, die de mensen goed gezind was, stal het vuur van de Griekse goden en dus ook het licht. In de christelijke religie is licht de drager van de boodschap van verlossing. Weten hoe vuur en dus ook licht kan worden gemaakt is een van de belangrijkste uitvindingen in de menselijke geschiedenis. In de literatuur worden de verschillende aspecten van vuur en licht uitgebreid weergegeven. (1) Hoewel kunstlicht op veel manieren kan worden gemaakt, is de relatie tussen licht en kaarsen al eeuwenlang bijzonder. Wel zijn de functie en betekenis van kaarsen veranderd. Een kaars wordt tegenwoordig niet meer gezien als primaire bron van licht. Kaarslicht roept empathie op, het staat voor gezelligheid en een bijzondere sfeer. Lange tijd vulden kaarsen het licht van haardvuren, dennensnippers en olielampen aan of vervingen die. Het kwam goed uit dat kaarsen voor eigen gebruik eenvoudig konden worden gemaakt van materialen (2) zoals was of talg.(3) Natuurlijke bijenwas was veel duurder. Vooral kerken, rijke boerderijen en stedelijke huishoudens konden zich waskaarsen veroorloven. Ook gaven waskaarsen minder geur af, branden ze gelijkmatiger en hadden minder zorg nodig. En was kon ook goed worden verkocht als bleekmiddel.
Op het platteland werden meer kaarsen gebruikt, die gemaakt waren van talg. Runder- of schapentalg dienden als grondstof. Ook werden spermaceti van potvissen gebruikt. Deze brandstof was vooral populair in Engeland “omdat het gereinigde vet uit de schedel van de potvis een vlam gaf die helder brandde en duidelijk leek op bijenwaskaarsen”. (4) Kloosters maakten was- en talgkaarsen in hun eigen werkplaatsen. Op het platteland maakten meestal de vrouwen zelf hun kaarsen uit het slacht- en vetafval. In het begin van de 19e eeuw maakten stearine (vanaf 1818 in gebruik) en paraffine het mogelijk om goedkopere en krachtiger kaarsen te maken.

Het maken van kaarsen kon op twee manieren gebeuren: kaarsen werden ofwel getrokken, waarbij de lont meerdere keren in het hete of vloeibare materiaal ondergedompeld werd tot de gewenste dikte bereikt was. Omdat zo’n kaars vaak onregelmatig van vorm was, werd deze daarna glad gerold. (5) De tweede manier was kaarsen te gieten in mallen van metaal of glas, zoals hieronder links te zien is. Ook kon de kaars met de hand gevormd worden door de lont met zachte was te bedekken en de kaars door kneden en rollen af te werken.

Afbeeldingen van commerciële kaarsproductie in de 18e eeuw zijn te vinden in de aangegeven literatuur, zoals het produceren van waskaarsen, het maken van een lont, het maken van kaarsen van bijenwas, de productie van bleekmiddel uit was en het maken van kaarsen uit talg. (6) Links is te zien hoe kaarsen aan het eind van de 19e eeuw gemaakt werden. (7)
Waskaarsmakers, die kaarsen van bijenwas produceerden en lichtmakers, die dierlijke vetten gebruikten werden nieuwe beroepen. Omdat ze dezelfde grondstoffen gebruikten als de zeepzieders (talg was nodig voor de zeep), werden deze beroepen vaak gecombineerd in één persoon of werkplaats. Omdat er tot het midden van de 19e eeuw grote vraag naar kaarsen was, waren er in veel steden vaak meerdere lichtmakers. Een voorbeeld is Jever, waar tal van advertenties te vinden zijn in lokale kranten, bijvoorbeeld deze uit 1850. (8)

Gieten in mallen gebeurde al sinds de 17e eeuw. De lengte en dikte van de mallen bepaalden de producten,. Ze worden afzonderlijk gebruikt of in een plaat met gaten, zie links. (9) De lont wordt in de mal gehangen en vervolgens met de vloeibare brandstof gevuld. Na stolling kon de afgewerkte kaars uit de mal worden losgemaakt. De mallen waren meestal van metaal, maar ook van glas. Glas werd om onder meer gebruikt door schaarste aan metaal, transparantie in het productieproces, gladheid van het eindproduct, eenvoudiger te reinigen of de nabijheid van glasfabrieken. Dit alles ongeacht het grotere risico op breuk. Voor afbeeldingen van metalen vormen word verwezen naar verschillende publicaties. (10)

Rechts de verzameling glazen gietvormen van de auteur, die bestaat uit vijf verschillende vormen, allemaal waarschijnlijk uit de 19e eeuw: vorm 4 is waarschijnlijk de oudste, gevolgd door vorm 2 en 3, vorm 1 dateert uit het midden van de 19e eeuw, vorm 5 uit de 2e helft van de 19e eeuw. Sommige mallen bevatten nog was- of talgresten. Glazen gietvormen zijn erg zeldzaam en zijn voor glasverzamelaars en -liefhebbers erg interessant, zeker als ze in de literatuur vermeld worden of in musea en collecties staan. DuHamel du Monceau (1762) spreekt van “glasvormen van licht”. [6]


Nog oudere informatie komt uit de “Thüringer Glas=Taxa” van 1736. Deze Taxalijst is een van de oudste kartel- en prijslijsten in Europa. Het omvat ongeveer 430 artikelen en toont het totale productieschema van de glasblazerij op dat moment. Deze omvatten “licht-vormen” in twee versies: “middel en groot”. (11) In de catalogus van de glasfabrieken van Nøstetangen en Aa door Ip Olufsen Weyse (Noorwegen) uit 1763 toont links in plaat 181 “Lysevormen” (figuur 6). (12) De catalogus, midden boven, van Holmegaards Glasværk (Denemarken) uit 1853 bevat ook een overeenkomstige illustratie (figuur 7). (13) Conradsminde’s catalogus van 1840 adverteerde met “Lysforme, hvide og groenne” (Lichtvormen in wit en groen). (14)

Bij opgravingen en archeologisch onderzoek zijn ook glazen kaarsvormen gevonden. Een «Kaarseform» (Ned: kaarsvorm) is afgebeeld bij Harold H. Henkes, locatie Den Haag. De kaarsenvorm, rechts, is gemaakt van kleurloos glas en is door Henkes gedateerd in de 18e eeuw. (15)
In Rheine (Noordrijn-Westfalen) vonden uitgebreide opgravingen plaats bij het Falkenhof. In het ondergrondse grachtenstelsel van de adellijke residentie werd een schat aan huishoudelijke artikelen gevonden. De opgravingsresultaten zijn in 2013 gepubliceerd: “De glasvondsten bevatten ook veel kaarsenvormen (Cat. nr. 213), die waren weggegooid in schacht F 5” (16) De kaarsenvorm linksonder dateert uit de 18e eeuw. Hieruit volgt dat dergelijke vormen ook in burgerlijke huishoudens werden gebruikt.



In de jaren 1980-1993 doorzocht Hans-Joachim Nachtmann de gracht van Schloss Neuhaus bij Paderborn naar keramiek, steengoed, porselein, bot, metaal en glas. Hij wist een groot aantal fragmenten van kaarsenvormen, zoals hierboven naar boven te halen. (17)
In de literatuur wordt verschillende keren verwezen naar de productie van kaarsen met behulp van glazen mallen, voornamelijk door de plattelandsbevolking. Na het beschrijven van deze glazen onder de trefwoorden: Profaan gebruik – glazen werktuigen – kaarsglas, schrijft Reinhard Hallers: “Boeren die de bijenteelt beoefenden, hebben tot de eeuwwisseling (1900) hun eigen kaarsen gemaakt.” [18] Waarschijnlijk werden na afloop van de dagelijkse arbeid wel glazen gietvormen gemaakt als “vrije tijd arbeid”.
Josef Blau vermeldt: “… dan zijn er nog glazen pijpen in huis, die ooit werden gebruikt om kaarsen te gieten, …» (19) Wilhelm Bomann legt ook een verbinding met het leven op het platteland. “Vroeger werden kaarsen alleen op het platteland gebrand op grotere boerderijen en bij feestelijke gelegenheden. Ze werden in het huishouden zelf gemaakt uit de grote hoeveelheid talg van runderen en schapen en oorspronkelijk waarschijnlijk als zogenaamde Stipplichte (…) Later, net als in de steden, werden meestal de lichte gietvorm gebruikt: buizen van plaatwerk of glas». (20)



Heinz Horat heeft in zijn boek over “Flühli-Glas” een hoofdstuk over “Apothekersglazen, barometers en kaarsenvormen”. Daar schrijft hij: “Daarnaast biedt de Hergiswil-catalogus van 1857 zijden draad en kaarsenmodellen aan, bedoeld voor laboratoriumapparatuur.” Afgebeeld is links een kaarsenvorm met de beschrijving “goed helder glas, lengte 342 (mm), D(oorsnede) onder 13 (mm), bovenkant 35 (mm), hieronder met een geknepen ring en klein gat voor de lont, bovenlip verhoogd, waarschijnlijk eerste helft van de 19e eeuw.” (21) Het standaardwerk van Dieter Schaich over gebruiksglas toont rechts twee kaarsenvormen die respectievelijk uit het keizerlijke Oostenrijk en Duitsland afkomstig zijn en dateren uit de 19e eeuw. (22) Karl-Heinz Poser toont een kaarsenvorm van groen Waldglas (Beieren, rond 1800, lengte 34,6 cm, diameter 4,6 cm. (23) In de catalogus van het Spessart Museum in Lohr am Main “Glas uit Einsiedel” wordt rechts een “kaarsengietmodel” getoond (1859-1864, kleurloos glas, met de hand geblazen, lengte 25 cm, breedte 4,5 cm). (24) In het museum van de glasblazerij in Schmidsfelden in het zuid Duitse Allgäu worden, linksonder, ook “kaarsmodellen” in verschillende vormen getoond. Andere kaarsengietmallen zijn te vinden in het Stadtmuseum van Lippstadt. Het Frankisch Museum in Feuchtwangen toont vormen uit de 19e eeuw, daar aangeduid als “lichtgietbuizen” . Daar wordt ook een erg interessant object tentoongesteld, dat waarschijnlijk is gemaakt voor een kaarsenmaker. Het museum beschrijft de 19e eeuwse “kaarsenkoeler” als volgt: “Kaarsenvormen gemaakt van glas en metaal konden worden opgehangen zodat de kaarsen sneller afkoelen. Het vat is kruislings versierd met ribben met een patroon van duimafdrukken. In de wandr heeft de meester-pottenbakker gekerfd: ‹Weinberg Gaari, 1849 Feuchtwang Hafner Burckhardt›».



Uit literatuuronderzoek en musea blijkt dat kaarsenvormen (ook van glas) veel werden gebruikt in Duitsland en in buurlanden als Oostenrijk, Nederland of Scandinavië. Lengte, gewicht, glaskleur verschillen, net als de namen: kaarsgietvorm, kaarsmodel, kaarsvorm, kaarsglas, lichtgietbuis, kaarsengietmodel, Kaarseform (NL), Lysismal (Skand.). Ze werden gemaakt in verschillende glasblazerijen, maar waarschijnlijk na afloop van het dagelijkse werk. De kaarsenvormen werden niet direct gebruikt, maar dienden indirect als gereedschap voor de productie van een voor de mens nuttig voorwerp als een kaars. Het was een eenvoudig, functioneel voorwerp zonder grote artistieke eisen, maar niettemin een interessante bijdrage aan de geschiedenis van de productie van glasproducten.
Aantekeningen 1. Zie bijvoorbeeld Veronika Baur, Kerzenleuchter aus Metall. München 1977, p. 7 e.v. 2. Jutta Matz/Heinrich Mehl, Heinrich (red.), Vom Kienspan zum Laserstrahl. Husum 2000. p. 20 e.v. 3. Zie over het productieproces Johann Georg Krünitz, Oeconomische Encyclopädie oder allgemeines System der Land- Haus- und Staats-Wirthschaft, Band 9, Berlin 1776, vooral Band 78, Berlin 1800 – Käthe Klappenbach, Von Spinnen, Engeln und dem Licht der Welt. De lampen van het Ertsgebergte. Dresden 2021, p. 18 e.v. Ik wil van deze gelegenheid gebruik maken om mw Klappenbach te danken. Door haar bijdrage in der Glasfreund, nr. 85, november 2022, p. 29 en volgende gesprekken gaf zij mij de impuls om mijn materiaal, dat ik over een lange periode had verzameld, in dit essay te verwerken. 4. Matz/Mehl zie noot 2, p. 22. 5. Sigrid Wechssler: Lampen, kaarsen en lantaarns. München 1983, p. 18. 6. vgl. Henri Louis DuHamel du Monceau, De kunst van het tekenen van licht. Vertaald door Johann Heinrich Gottlob von Justi. Berlin, Stettin und Leipzig 1762, p. 36 f. 7. Renate Müller, Licht en vuur in het landelijke huishouden. Altona Museum. Hamburg 1994, p. 16. De foto heeft als ondertitel: «Lichterziehen», Noord-Duitsland, eind 19e eeuw, archief: Altonaer Museum. De “Stipplichter” worden in hete talg gedompeld en opgehangen om af te koelen. Jahrhundert, Archief: Altonaer Museum. 8. Bettina Wiese/Kerstin Schmidt, Leuchter und Lampen. Kasteelmuseum Jever. Oldenburg 1994, p. 16 – Jeversches Wochenblatt van 29.09.1850: Anzeige des Kerzenmachers und -händlers H. Bytendyck. 9. Wechssler, zie noot 5, p. 18. 10. Klappenbach, als noot 3, p. 21 (Museum für Sächsische Volkskunst Dresden) – Wiese/Schmidt, als noot 8, p. 51 – Ulrike Wirtler: Lampen, kandelaars en lantaarns. Die Bestände des Kölnisches Stadtmuseums. Keulen 1991, p. 52. 11. Thüringer Glastaxa uit 1736. Nieuw opgestelde TAXA, volgens welke verschillende glas en variëteiten van allerlei modellen … Allzunah 1736 12. Ip Olufsen Weyse: Glazen catalogus van Nøstetangen. Noorwegen 1763, plaat 181 13. Catalogus van Holmegaards Glasvaerker, 1853; in: Gunnar Buchwald, Gunnar und Mogens Schlüter, Kastrup og Holmegaards Glasvaerker 1825-1975. Busk, Kopenhagen 1975, p. 26 van de tekeningen. 14. Alfred Larsen et al.: Dansk glas, 1815-1925. Kopenhagen 2004, p. 358. 15. Harold Henkes: Glas Zonder Glans. 1300-1800. Rotterdam 1994, p. 343. 16. Gaby Hülsmann: Glas. Vondsten uit een ondergronds grachtenstelsel. Falkenhof Museum Rheine, Bestandscatalogus Band 1. Regensburg 2013, p. 38, 93, 101, 331. 17. Norbert Börste/Gerd Dethlefs (red.), Die Sammlung Nachtmann, Paderborn 2008. 18. Reinhard Haller: Geschundenes Glas. Grafenau 1985, pp. 45, 64, 74. 19. Josef Blau: Böhmerwalder Huisindustrie en Volkskunst. Deel II: Vrouwen – Huishoudelijk werk en volkskunst. Praag 1918, p. 271. 20. Wilhelm Bomann, Bäuerliches Hauswesen und Tagewerk im alten Niedersachsen. (4e Reprographischer Nachdruck der 4e Auflage Weimar 1941) Hildesheim 1941, p. 121. 21. Heinz Horat: Flühli-Glas. Bern 1986, p. 149. 22. Dieter Schaich: Reine Formsache, Berlijn 2007, p. 213. 23. Karl-Heinz Poser: Alte Trinkgläser, Flaschen und Gefäße. Neumünster 1997, pp. 48, 114, 136. 24. Werner Loibl: Glas aus Einsiedel. Lohr am Main 1995, p. 342, catalogus Spessartmuseum
Foto ‘s
Alle foto’s zijn van de auteur. Nrs 2, 3, 6, 7, 8, 9, 11 en 12 zijn reproducties uit de literatuur.
