Oudste bakstenen huis van Hoorn gevonden in kelders Westfries Museum

De verbouw van het Westfries Museum is momenteel in volle gang. Een belangrijk onderdeel hiervan is funderingsherstel van de diverse panden aan de Roode Steen. Overal worden heipalen, stalen balken en betonnen vloeren aangebracht. Dat houdt in dat in alle panden grond wordt uitgegraven en daarbij komen zeer veel muren, kelders en andere sporen uit het verleden tevoorschijn. Al maandenlang zijn de archeologen van de gemeente Hoorn, in samenwerking met aannemer Woudenberg en heibedrijf SPS Heicombinatie, intensief bij dit werk betrokken om alles vast te leggen. Afgelopen weken is hard gewerkt in de bestaande kelders onder Roode Steen 1, namelijk in de grote kelder van het Statencollege en in de gewelfkelders van het Proostenhuis. De resultaten zijn spectaculair. Onder de betonnen vloeren komen de zware muren, kelders en zelfs een stenen traptoren van het oudste bakstenen huis van Hoorn tevoorschijn. De beerput van het Proostenhuis leverde bovendien een schat aan vondsten op uit de 15de en 16de eeuw.

Een jarenlange klus

De archeologen van de gemeente Hoorn zijn al sinds 2021 intensief bij het project betrokken en het einde is voorlopig niet in zicht. Omdat de panden van het Westfries Museum op de oudst bewoonde plek van Hoorn staan, is van tevoren een uitgebreid onderzoek gedaan om in beeld te krijgen wat hier in de bodem verwacht kan worden. Archeologie, bouwhistorie en archiefonderzoek gaan hierbij hand in hand. De archeologie onderzoekt alles dat in de grond zit en de bouwhistorie richt zich op de bouwgeschiedenis van de bestaande panden. Uitgebreid archiefonderzoek heeft alle eigenaren en gebruikers van de panden vanaf de middeleeuwen tot het heden achterhaald. Dit heeft al heel veel nieuwe gegevens opgeleverd. Maar hoe verder we in de tijd teruggaan, hoe minder er uit de geschreven stukken bekend is. Dankzij het archeologisch onderzoek moet veel worden herschreven.

Het grote stenen huis van Van Nijenrode

Uit de geschreven bronnen is bekend dat de adellijke familie Van Nijenrode in de middeleeuwen een huis bij de Roode Steen in Hoorn bezat. Deze familie was nauw verbonden aan het Hollandse gravenhuis. Het oudste gegeven dateert uit 1377 toen het huis in leen werd gegeven aan Jan Claesz, die waarschijnlijk actief was in het Hoornse stadsbestuur. Het leen bleef vervolgens in zijn familie totdat Hendrik van Nijenrode in 1495 het huis aan de stad Hoorn verkocht. Interessant is dat het toen als ‘het grote stenen huis’ werd aangeduid. Het stond bij de Roode Steen, maar de precieze locatie is uit de geschreven stukken onduidelijk.

Toen het huis in 1495 werd verkocht, stond er aan de Proostensteeg inmiddels nog een ander groot stenen huis: het Proostenhuis. Dit huis zou in 1425 zijn gebouwd en bestaat nog steeds als onderdeel van het Westfries Museum. In de huidige situatie zijn alleen de gewelfkelders nog duidelijk als middeleeuws herkenbaar.

Gewelven en kaarsnissen

Het vermoeden bestond dat het grote stenen huis naast het Proostenhuis heeft gestaan en dat de resten hiervan zijn te vinden in de grote kelder onder het in 1632 gebouwde Statencollege. Tot ieders verrassing bleek de betonnen vloer in de kelder eenvoudig op de middeleeuwse bodem gelegd, zonder bijvoorbeeld een pakket zand of puin. Bij verwijderen van het beton kwamen direct de zware funderingen van het grote stenen huis in beeld. Het moet in de 15de eeuw een bijzonder gebouw zijn geweest. Toen het werd gebouwd stonden er in de stad vrijwel alleen nog maar eenvoudige houten huizen met meestal rieten daken. Het grote stenen huis had twee kelders met kruisribgewelven en een inpandige stenen wenteltrap. In de kelders van het Westfries Museum is nog één muur van dit huis te zien, die voorzien is van twee kaarsnissen: gemetselde nissen voor een kandelaar of olielampje.

De beerput van het Proostenhuis

Bij de kleine gewelfkelder in het Proostenhuis is een bijzondere vondst gedaan: een diepe gemetselde beerput met het afval van de bewoners. Beerputten uit de middeleeuwen zijn in Hoorn een zeldzaamheid. Op de beerput loosde ooit een wc, maar de put werd ook gebruikt om keukenafval en gebroken huisraad in te gooien. De volledige inhoud van de beerput is meegenomen om uit te zeven, zodat zelfs de kleinste resten kunnen worden verzameld. Denk daarbij aan botjes van wild, gevogelte of vissen, maar ook aan pitten van vruchten. We komen zo precies te weten wat men in het verleden heeft gegeten. De verwachting is dat bij het zeven allerlei kleine voorwerpen worden gevonden. Sommige spullen verdwenen nagenoeg compleet in de put zoals enkele kookpotten en een bierkan van steengoed. Een bijzondere vondst is een zogenoemd langmes met een houten greep, een éénsnijdend wapen met een vergelijkbare functie als een kort steekzwaard.

De komende weken

Het archeologisch onderzoek is de komende tijd nog in volle gang. De verwachting is nog veel meer te vinden van de huizen die hier in de middeleeuwen hebben gestaan. De oudste vondsten gaan tot nu toe terug naar ongeveer 1300 en dat zitten we in de tijd dat Hoorn als plaats is ontstaan. Je zou kunnen zeggen dat de oorsprong van Hoorn letterlijk onder het Westfries Museum ligt. Het zou zeer mooi zijn als de vondsten straks op die plek voor iedereen te zien zijn. Voorlopig is er nog jarenlang werk, want zodra het graafwerk klaar is, begint misschien wel de grootste klus: het verwerken van alle verzamelde gegevens en vondsten. Alleen al het uitzeven van de inhoud van de beerput en vervolgens het in elkaar puzzelen en plakken van alle voorwerpen zal maanden duren. Gelukkig worden de archeologen hierbij ondersteund door vrijwilligers. Het uiteindelijke doel van al het archeologische en bouwhistorische werk is om tot een mooie publicatie met 3D-reconstructies van de bebouwing door de tijd heen te komen.